Spraakontwikkeling

Meer informatie over de spraakontwikkeling

De eeste woordje van je kind. Eens spannend moment. Maar hoe gaat de ontwikkeling nu verder?

Dit artikel gaat voornamelijk over de ontwikkeling van de spraak bij dreumes/peuters en kleuters. Hoe verloopt zo'n ontwikkeling en wat is "normaal"? Welke fasen doorloopt je kind en wat kan jij doen om hem daarbij te ondersteunen? Ook bij de spraakontwikkeling van je kind kan je problemen tegenkomen. Binnenkort verschijnt er op de babybrabbel ook een artikel dat ingaat op de problemen rondom de spraakontwikkeling.

Het onderstaande overzicht is ontstaan door gemiddelden. Dat wil zeggen dat je kindje zich misschien eerder of later dan de genoemde leeftijden in een fase bevindt. Het ene kind ontwikkelt zich razendsnel op taalkundig gebied, het andere kind is ruimtelijk gezien weer veel verder of is qua motoriek erg goed ontwikkeld.Onderstaand overzicht laat zien in welke fasen de taalontwikkeling van je kindje is opgebouwd.

 

12-15 Maanden Je kind kan nu enkele woorden noemen. Wanneer hij/ zij een vraag wil stellen dan wordt er verschil gemaakt in intonatie. Het woord wordt dan op een vragende manier genoemd. Een voorbeeld kan zijn: eten? Waarmee bedoeld wordt: 'Gaan we eten?' Het antwoord geven gebeurt vaak nog door te schudden en te knikken met het hoofd. Bij meerlettergrepige woorden zie je dat de onbeklemtoonde lettergreep vaak wegvalt net als medeklinkers aan het begin van een woord. Tomaat wordt zo 'maat' en daar wordt 'daa'. Clusters van medeklinkers aan het begin of aan het eind van woorden vormen ook vaak een probleem. Met clusters van medeklinkers wordt bedoelt: meerdere medeklinkers achter elkaar zoals; 'ng', 'sch', 'rd' of 'br'. Een woord als schoen wordt dan algauw 'soen'.
15-24 Maanden Het gebruik van één woord is overgegaan in tweewoordzinnen. Je kind geeft met twee woorden aan wat hij/ zij bedoelt. Met 'hondje lopen' wordt bijvoorbeeld bedoeld: 'het hondje loopt'. Met 2-jarige leeftijd, is de woordenschat ongeveer uitgebreid tot 270 woorden. Ook in deze fase wordt gebruik gemaakt van de vragende intonatie. In plaats van het schudden met het hoofd wordt nu vaak het woordje 'niet' gebruikt vooraf- of achterafgaand de genoemde woorden. Je krijgt dan bijvoorbeeld: 'niet jajo aan' wat 'de radio moet niet aan' betekent. Je ziet dat bepaalde klinkers nog vervangen of zelfs weggelaten worden. Het woordje stoel wordt dan bijvoorbeeld: 'toel'.
2-3 jaar

woordenschat +/- 200/300

De fase van meerwoordzinnen is aangebroken. Hoewel de woordenschat nu razendsnel toeneemt en de uitspraak van medeklinkers verbeterd is, wordt veelal nog alleen gebruik gemaakt van werkwoorden en zelfstandige naamwoorden. De uiting is belangrijker dan de vorm. De ik- en jij-vorm worden gebruikt maar niet altijd goed toegepast. Zo zal je kind zichzelf nog veel met 'jij' aanspreken. Meervouden worden gebruikt door er een 's' achter te plaatsten en verleden tijd krijgt zijn vorm door achter werkwoorden 'de' of 'te' te zetten. Het gebruik van voorzetsels begint waarbij meestal eerst begonnen wordt met 'op' en 'in'. Het eerste voegwoord dat het kind leert tussen het tweede en derde levensjaar is 'en'. Deze fase van praten is nog vooral gekenmerkt door imitatie en herhaling waarbij het kind niet alleen anderen maar ook zichzelf napraat en herhaalt.
3-4 jaar

woordenschat +/-900

Je kind begrijpt veel en kan ook al veel vertellen. Losse klanken vormen geen probleem meer, met uitzondering van 's', 'l' en 'r'. Hier blijft het kind vaak nog wel even moeite mee houden. Langzaam worden taalregels toegepast. Werkwoorden kunnen over het algemeen goed vervoegd worden al komen er nog wel vergissingen in voor, net als bij de uitspraak van medeklinkerverbindingen. Tot een leeftijd van 4 - 5 jaar is het normaal dat onregelmatige werkwoorden nog verkeerd vervoegd kunnen worden. Kopen wordt in de verledentijd dan 'koopte' in plaats van 'kocht'. Fouten in de voltooide tijd komen ook nog voor tot een jaar of 6. Lidwoorden en voorzetsels worden nu ook meer gebruikt. Ook dit is niet altijd op de juiste manier. Omdat het kind sneller denkt dan zijn/ haar gedachten aankunnen, wil het nog wel eens gebeuren dat er veel herhalingen voorkomen in de kindertaal. Het lijkt op stotteren maar dit is het niet. Het worden normale onvloeiendheden genoemd. Ook kunnen kinderen omdat ze het juiste woord niet kunnen vinden, zelf een nieuw woord gaan verzinnen. Dit wordt neologisme genoemd.
4-6 jaar

woordenschat +/-2000

In deze periode wordt gebruik gemaakt van de woorden 'als … dan', 'want', 'omdat' en 'wat als…' wat tot gevolg heeft dat de zinnen langer worden. Daarnaast begrijpt je kind haast alle taalregels en kan hij ze over het algemeen ook consequent toepassen. De medeklinkers worden ook goed gebruikt al blijven de 's', 'l' en 'r' nog moeilijk. De voorzetsels die in de vorige fasen nog moeilijker toe te passen waren, worden nu goed gebruikt. Abstracte begrippen beginnen zich te ontwikkelen. De woordenschat, het zinsbegrip en de woordvinding zijn van zodanig niveau dat je kan spreken van het voltooien van het semantisch aspect (semantiek = betekenis). Op de leeftijd van 5 - 6 jaar wordt daarnaast ook verwacht dat kinderen woorden in een goede volgorde kunnen zeggen. Wanneer een woord correct gevormd kan worden dan is het fonologische (fonologie=taalklank) aspect bereikt. Het morfologische(morfologie=woordvorming) aspect waarin kinderen leren werkwoorden op de juiste wijze te vervoegen (ook onregelmatige werkwoorden) strekt zich uit tot na het 6e levensjaar.

(Rond 8 jaar: de ontwikkeling van de articulatie is voltooid. Alle grammaticale zinsconstructies zijn aanwezig maar worden nog niet foutloos gebruikt. Zinnen die nog problemen opleveren zijn veelal passieve of ontkennende passieve zinsconstructies die beginnen met een voegwoord. Bijvoorbeeld: "Omdat het regende kwam de bakker niet langs." Zo rond het 11e levensjaar wordt het pragmatische(=op nut en bruikbaarheid gericht) aspect bereikt. Kinderen kunnen op hun beurt wachten, zich verplaatsen in de ander en aansluiten bij wat de ander zei. Ze kennen ze het gebruik van een gebod, een hint maar weten ook het verschil tussen formeel en informeel taalgebruik.)